Technologie & competentie

Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)

Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)
Meetwaarden bij ESP

Systeem voor het regeling van de dynamiek

Dreigt een voertuig te gaan slingeren of te kantelen dan moet de bestuurder bliksemsnel de gevaarlijke situatie inschatten en onmiddellijk reageren om het voertuig weer onder controle te krijgen. Het ESP bewaakt voortdurend de dynamische toestand van het voertuig en grijpt bij dreigend gevaar van slingeren of kantelen automatisch in het motormanagement en het remsysteem in. Daarom kan het, sneller zelfs dan ervaren bestuurders, de situatie inschatten en het voertuig binnen de fysieke grenzen controleerbaar houden. Typische ongeluksoorzaken zoals te snel de bocht nemen, gladde rijbaan, noodremmingen en hectische uitwijkmanoeuvres kunnen op deze manier minder heftig gemaakt worden waardoor het risico van een ongeluk vermindert.

Functie en bediening

Het ESP bestaat uit de beide hoofdfuncties DSP (dynamisch stabiliteitsprogramma) en ROP (kantelbeveiliging). Het DSP zorgt voornamelijk bij een lage wrijvingswaarde (bijvoorbeeld bij water, ijs en sneeuw op de weg) voor de stabilisering van het voertuig. Het grijpt in principe alleen in als er tussen de door de bestuurder gewenste rijrichting en de daadwerkelijke beweging van het voertuig een merkbaar verschil ontstaat. De Roll Over Prevention (ROP) vermindert het kantelgevaar bij een hoge wrijvingswaarde op een droge rijbaan.



Door de uitrusting met ESP kunnen 44 procent van vrachtwagenongevallen worden voorkomen.

De volgende grootheden worden voortdurend gemeten en met de momentele rijsnelheid vergeleken:

  • Stuurhoek
  • Dwarsversnelling
  • Giersnelheid (draaisnelheid van het voertuig om de verticale as)